In de duistere nacht hangt de sturgeon maan alleen aan de hemel boven de donkere woeste zee. Het licht van de vuurtoren veegt iedere paar seconden zijn vaal bleke flitsen vanaf de rots op de verre kust, over de onstuimige golven. En zie daar in die dreigende onheilspellende onbekendheid tuimelt een scheepje als een speelbal op de tongen van de verraderlijk bewegende immense zwarte vlakte. Op het dek staat een oude zeerot met beide benen gefixeerd achter zijn stuurwiel, dat heftig alle kanten op wil draaien als in uiterste ontzetting en wanhoop. De schipper tuurt gespannen, onafgebroken, in de richting van de vuurtoren in de hoop de aan hem toevertrouwde lading veilig een haven in te loodsen. Er zal toch wel een haven zijn? Zijn versleten zwarte pet staat op de wat oudere verweerde kop eronder. Twee wat fletse, lichte ogen in een mager gezicht met een witgrijs stoppelig ringbaardje en een sober donker jasje en versleten broek zijn de stille getuigen van de kracht van deze eenzame zeebonk die het waagt de elementen te tarten.
Wat bezielt deze ommelandsvaarder en wat is zijn zijn drijfveren? Hoe is hij in deze tempeest terechtgekomen? En waartoe? Zal deze held ooit de rust van de wal onder de voeten voelen en, belangrijker misschien, zal hij dan ten slotte kunnen aarden? Sommigen stervelingen schijnt het niet gegeven te zijn tevreden in bed te liggen terwijl buiten het tumult voortraast. Wat is zijn strijd, en vooral wat is zijn noodzaak?
Diep onder het nooit stilliggende, zwiepende spiegel oppervlak roert zich iets onbekends, als een mare op de maan in voorbij gevlogen tijden. Instinctief voelt de haveloze zeebonk dat het geen zuiver water is, en scherpt zijn bewuste concentratie nog een tikkeltje aan. Plotseling barst de ontembare ruwe verlatenheid met nijdig gebrul en een kolkende watermassa open en reist een enorm doemdag gevaarte op voor de zwalkende boeg van het nietige bootje. De schipper ziet het gebeuren met wijd opengesperde ogen aan en prevelt enige woorden in de vorm van een schietgebedje richting de heiligen Antonius en Walburgis voor het het geval het het laatste is dat hij ooit zal doen. Met een doffe klap stort de levitaan terug in het water dat van pure ontzetting uiteen stuwt en een enorme krater slaat in het wateroppervlak. Het bootje kiepert naar binnen en wordt geheel verzwolgen door het terugstromende water.
Het duurt even, of het lijkt een eeuwigheid te duren voordat de schuit met zijn heldhaftige gezaghebber als een kurk omhoog plopt uit de op het zelfde moment sluitende waterspiegel. Onze machinist, hij mag geen naam hebben, zo onbeduidend lijken zijn kansen in dit spel van natuur en oerkrachten heeft beide armen en benen om zijn stuurwiel geklemd wanneer het vaartuig weer met luid gekraak land op de woeste baren, die nu stilvallen. Plotseling is er een ongekende kalmte en vrede op de uitgestrekte plas zilt water.
De wolken trekken weg, en voorzichtig als bange kinderen na een echtelijke ruzie, komen de sterren tevoorschijn. De volle maan reflecteert het zonlicht lachend over de tot rust gekomen golven en de vuurtoren brengt het scheepje samen met de enigszins verbouwereerde schipper veilig de kleine haven binnen. Eind goed al goed … voor nu.



